Allergenenbeheer in de voedingsindustrie: de 5 pijlers, VITAL en de nieuwe PAL-regels

Allergenenbeheer gaat níét in de eerste plaats over kruisbesmetting, maar over correcte productinformatie,  zodat wie allergisch is zélf een veilige keuze kan maken. Marjan van Ravenhorst (Allergenenconsultancy.nl) ontkracht de hardnekkigste mythes, legt de vijf basispijlers en de VITAL-rekentool uit, en duidt de nieuwe Nederlandse PAL-wetgeving.

Januari 2025 – 36 min – Seizoen 1, aflevering 2

Wie is Marjan Van Ravenhorst, allergenen experte?

  • Marjan van Ravenhorst studeerde voedingstechnologie aan de Universiteit van Wageningen en startte haar carrière als food safety manager in de voedingssector.
  • Daarna maakte ze de overstap naar het auditeren van voedingsbedrijven, en in 2003 — toen de eerste Europese allergenenwetgeving van kracht werd — richtte ze allergenenconsultancy.nl op, het advies- en trainingsbureau gespecialiseerd in allergenenmanagement in de levensmiddelenindustrie en foodservice.
  • Marjan is zelf allergisch (noten en pinda’s), was vrijwilliger bij de Stichting Voedselallergie, en is een veelgevraagd spreker op events en symposia in Nederland, Vlaanderen en internationaal.

Welke onderwerpen komen aan bod?

  • Het verschil tussen allergie, intolerantie en andere ziektebeelden;
  • cijfers over voedselallergie in Europa;
  • waarom sulfiet op de allergenenlijst staat hoewel het geen eiwit is;
  • de vijf basispijlers van allergenenbeheer;
  • VITAL en kwantitatieve risicobeoordeling, referentiedosissen en consumptiegroottes (o.a. het FAVV-document in België);
  • de nieuwe Nederlandse PAL-wetgeving (Precautionary Allergen Labeling)

En zoveel meer!

Waarom zou ik luisteren?

  • Omdat allergenenbeheer in bijna elk voedingsbedrijf verkeerd begrepen wordt. Deze aflevering brengt nuance in een onderwerp dat vaak tot paniek of overdreven maatregelen leidt.
  • Marjan van Ravenhorst combineert 20+ jaar consultancy-ervaring met het perspectief van een allergische patiënt, en geeft concrete, risicogebaseerde inzichten: van de 5 basispijlers en de VITAL-rekentool tot de nieuwe PAL-wetgeving en de toekomst van de Europese allergenenlijst.
  • Voor QA-managers, productieverantwoordelijken, auditoren en iedereen in foodservice is dit een gesprek dat je manier van werken kan bijsturen — met minder angst en meer gezond verstand.

Marjan van Ravenhorst, oprichtster van allergenenconsultancy.nl, te gast bij Alexander Platteeuw voor de Better FoodSafe Than Sorry podcast.

Alexander Platteeuw (A+ Quality): Mijn gast van vandaag studeerde voedingstechnologie aan de Universiteit Wageningen en startte daarna haar carrière als food safety manager in de foodsector. Zij maakte de overstap naar het auditeren van voedingsbedrijven om haar horizon te verruimen — dat lijkt op een herkenbaar patroon. Daarna richtte zij Allergenen Consultancy op, het advies- en trainingsbureau gespecialiseerd in allergenenmanagement in de levensmiddelenindustrie en foodservice. Allergenen Consultancy levert ondertussen ook testkits en een labodienst voor alle allergenen. Zij is intussen echt een gevestigde waarde en spreekt vol passie op talrijke events en symposia in de Lage Landen over het belang van een goed allergenenbeheer. Welkom Marjan van Ravenhorst. Marjan, waarom ben je eigenlijk ooit begonnen met Allergenen Consultancy?

Marjan van Ravenhorst (allergenenconsultancy.nl): Ja, dat is een vraag die ik mezelf ook wel stel. In die tijd — en dan hebben we het over 2003, dus alweer 21 jaar geleden — kwam de allergenenwetgeving voor het eerst in Europa. Ik was toen auditor bij een certificatie-instelling, dus ik bezocht veel bedrijven en zag wat er goed en minder goed ging op het vlak van allergenenbeheer. Ik ben zelf ook allergische consument, patiënt. Ik was in die tijd ook vrijwilliger voor de Stichting Voedselallergie, een patiëntenorganisatie in Nederland. Bedrijven die op zoek waren naar een invulling van de wetgeving die op dat moment van kracht werd, richtten zich tot de patiëntenverenigingen. En zo ben ik daar eigenlijk ingerold.

Alexander Platteeuw: 1 plus 1 was 2.

Marjan van Ravenhorst: 1 plus 1 was 2, ja. En dat is zo langzaamaan uitgegroeid. Ik dacht toen: als iedereen weet hoe die wetgeving in elkaar zit, dan doen we het kunstje en zijn we klaar. Dat bleek niet het geval. Ondertussen werk ik samen met mijn team — we zijn intussen met 11 personen — aan dit onderwerp voor bedrijven in Nederland, in Vlaanderen, maar ook daarbuiten, dus steeds meer internationaal.

Alexander Platteeuw: Schitterend. Kan je voor onze luisteraars nog eens kort het verschil toelichten tussen een allergie en een intolerantie?

Marjan van Ravenhorst: Ja, er zijn eigenlijk heel veel verschillende ziektebeelden. Allergie is een belangrijke groep, intolerantie ook, maar daarnaast is er ook coeliakie en zijn er diverse andere ziektebeelden. Bij een allergie gaat het om een reactie van het afweersysteem, waarbij antilichamen eiwitten herkennen, en dat zorgt voor een reactie in het lichaam. Dat gaat heel snel en kan heel heftig zijn — de anafylactische reactie hoort daarbij. De shock kan daarbij horen, maar dat hoeft niet; dat hangt af per persoon. Dat is het typische beeld bij een allergie. Een intolerantie is meestal een stofwisselingsprobleem: mensen kunnen dan bijvoorbeeld lactose, de melksuikers, niet verteren. Dan gaan de darmbacteriën dat doen — en die doen dat met veel plezier — dus dat levert wat darmproblemen op, maar dat is over het algemeen mild van aard. Het is dus echt een heel ander reactiemechanisme dan een allergie, geen acute, heftige reactie. En bij coeliakie is het weer net iets anders: dat is de reactie op gluten.

Alexander Platteeuw: Zijn er cijfers bekend in Europa? Ik hoor wel eens cijfers over hoeveel mensen met een voedselallergie zitten. Dat is een moeilijk cijfer natuurlijk.

Marjan van Ravenhorst: De cijfers die er nu zijn, liggen zo rond de 7%. Dat is de laatste jaren een beetje naar boven bijgesteld, waarbij er ook nog een verschil is tussen kinderen en volwassenen. Volwassenen hebben er iets minder last van, kinderen wat vaker.

Alexander Platteeuw: Die 7% is in Europa?

Marjan van Ravenhorst: Ja, eigenlijk in de landen met een westerse leefstijl.

Alexander Platteeuw: Dat is een beetje de definitie. Ik vertel bij mijn opleidingen soms dat het toch 5% is — kijk, ik leer nog bij dat het 7% is. Mensen denken soms dat het een laag percentage is, maar op het aantal miljoenen mensen in Europa is dat niet te onderschatten.

Marjan van Ravenhorst: Nee, dat zijn heel veel mensen. Dan zijn er natuurlijk ook nog mensen met klachten omdat ze hooikoorts hebben, die reageren op bepaalde voedingsmiddelen. Hooikoorts is een allergie voor pollen, voor stuifmeel. Heel veel van die mensen reageren ook op fruit, bijvoorbeeld op appel, vooral in Noord-Europa. Dat zijn ook mensen met klachten, maar die zijn mild van aard. Dat zijn geen mensen die in een shock raken na het eten van een appel, maar ze krijgen wel jeuk en tintelingen en zullen appels dus vermijden.

Alexander Platteeuw: Zijn dat ziektebeelden die kunnen evolueren naar een erger stadium?

Marjan van Ravenhorst: Nee, vaak niet. Hooikoorts kan zich wel in de loop van iemands leven openbaren. Tegen de tijd dat je twintig bent, zie je dat mensen daar vaak last van krijgen. Dan komen ook de klachten op appel en andere fruitsoorten. Maar dat is gewoon een milde allergie; dat noemen we ook kruisallergie. Dus niet kruisbesmetting, maar kruisallergie. Dat betekent dat je reageert op de eiwitten in pollen — een inhalatieallergie — maar die eiwitten lijken op eiwitten in fruit, waardoor je er ook op reageert als je het consumeert.

Alexander Platteeuw: Iets wat mij fascineert, en ook mensen in de voedingsindustrie triggert: u spreekt van eiwitten. We hebben de Europese lijst van veertien allergenen. Daar staat er eentje tussen dat geen eiwit is: sulfiet, het bewaarmiddel in onder andere wijn. Hoe komt dat dan in die lijst terecht?

Marjan van Ravenhorst: Omdat het niet een stof is die een allergische reactie oproept in de zin die ik net beschreef — mogelijke anafylactische reacties door de herkenning van eiwitten. Maar van sulfiet is wel bekend dat het ernstige aanvallen kan oproepen bij mensen met astma. Dan is het een reactie waarbij mensen heel ernstig benauwd kunnen worden, wat ook ernstig kan aflopen. Noemen we het een allergeen, noemen we het een trigger? Dat is een beetje de vraag, maar het levert wel degelijk een risico op.

Alexander Platteeuw: Omwille van de gevolgen hebben ze het toch in de lijst opgenomen. Duidelijk. Nu over naar de industrie zelf. Wat de luisteraars het meest zal interesseren: wat zijn de belangrijkste stappen voor het opzetten van een effectief allergenenbeheersprogramma? Bedrijven zitten in eenzelfde fabriek, eenzelfde afdeling, op dezelfde lijn met producten met en zonder allergenen. Dat is de uitdaging.

Marjan van Ravenhorst: Dat is de uitdaging, ja. Om het meteen wat te nuanceren: allergenen zijn overal. Ik heb zelf een allergie voor noten en pinda's — daarom was en ben ik ook verbonden aan de Stichting Voedselallergie. Het is niet zo dat het feit dat een allergeen aanwezig is, automatisch betekent dat het een risico is. Anders had ik deze leeftijd nooit bereikt, want noten en pinda's zijn in mijn geval overal. Als ik op de markt loop, in een winkel, bij iemand thuis of in een restaurant kom: die allergenen zijn er. Ik moet ze alleen in bepaalde hoeveelheden tot me nemen voordat het een risico wordt. Als we kijken naar wat dat betekent voor de voedingsmiddelenindustrie, dan is het ook daar mogelijk om er wat relaxter mee om te gaan. Het gaat om direct contact met het allergeen voordat het een risico vormt. Dezelfde fabriek of hetzelfde magazijn: dat is geen risico. Dezelfde lijn mogelijk wel, maar dat hangt natuurlijk af van het schoonmaakregime. Als er een overgang is van een product met een allergeen naar een product zonder dat allergeen, dan moet er schoongemaakt worden. Daarmee kan je de allergenen verwijderen — in sommige gevallen niet. Als er alleen een droge schoonmaak mogelijk is, is dat lastig. Daar komt dan de risicobeoordeling in beeld. Wat ik wil benadrukken: ik begin nu eigenlijk zelf ook meteen over kruisbesmetting, kleine hoeveelheden en risico's. Maar als we naar allergenenbeheer in het algemeen kijken, zijn er veel meer aspecten. Wij onderscheiden vijf basispijlers in allergenenbeheer, waarvan kruisbesmetting — en het beheersen daarvan — er één is. Maar het begint eigenlijk met grondstofinformatie. Op het moment dat je niet weet wat je in huis hebt qua allergenen, en überhaupt qua samenstelling, dan kan je ook niets doen aan allergenenmanagement.

Alexander Platteeuw: Of stoppen natuurlijk.

Marjan van Ravenhorst: Ja. Dat is dus de eerste pijler: grondstofinformatie, heel belangrijk. Dan een stukje receptuurbeheer, dat we de tweede basispijler noemen. Als je weet wat er in je grondstoffen zit en wat je in een product doet, dan is het logisch dat je daarmee ook de samenstelling op het etiket of in een technische fiche kan verwoorden, zodat je iemand kan informeren. Dat is de productinformatie, de derde pijler. De vierde basispijler is de juiste informatie bij het juiste product — dus het voorkomen van verwisseling. Als er een goed product is met een goed etiket, maar je verwisselt ze, dan klopt de informatie niet bij het product. En dat is een belangrijke oorzaak van productterugroepingen. Wij zeggen eigenlijk altijd: allergenenbeheer gaat niet over kruisbesmetting, maar over correcte productinformatie. En daar hoort informatie over kruisbesmetting natuurlijk ook bij. Het gevaar van allergenen is namelijk dat iemand het product eet terwijl hij dat niet mag. Het is geen issue voor iedereen — net zoals bij salmonella of andere voedselveiligheidsgevaren. Iemand met een allergie moet zelf die keuze kunnen maken. Dus het gaat om productinformatie, en om het wat breder te bekijken. Dat bredere beeld is iets wat nog wel eens ontbreekt. Dan wordt er heel snel gefocust op die kruisbesmetting en op schoonmaak, terwijl al die andere zaken vergeten worden.

Alexander Platteeuw: Vanuit mijn ervaring, wat ik bij mijn klanten zie, is dat er de voorbije jaren wel meer awareness is gekomen, ook bij de leveranciers, waar de vraag gesteld wordt welke allergenen er in de producten zitten. De vraag welke mogelijke kruisbesmettingen er bij u als leverancier kunnen optreden, is al een wat moeilijkere vraag. En als je dan nog vraagt om dat te kwantificeren, wordt het soms heel stil aan de andere kant van de lijn. Is dat ook iets wat jij ervaart?

Marjan van Ravenhorst: Dat herkennen we zeker. Productinformatie is gewoon een wettelijke verplichting. Het heeft best lang geduurd voordat dat op een goede manier gecommuniceerd werd — business-to-business, met technische fiches en productspecificaties. De uitdaging waar we nu voor staan, is de informatie over kruisbesmetting goed boven water krijgen uit de keten. Niet alle leveranciers en toeleveranciers in die keten zijn zich daar volledig van bewust. We zien eigenlijk een soort sneeuwbaleffect door de keten: producenten van eindproducten, van consumentenproducten, vragen dat aan hun leveranciers, en die vragen het weer aan hún leveranciers. Zo komt het uiteindelijk aan het begin van de keten terecht. En daar zitten soms handelshuizen, verwerkers van plantaardige producten, op- en overslagbedrijven, transporteurs — van alles, die soms echt nog geen idee hebben. Dus dat stukje awareness begint echt wel te komen, maar dat kost tijd. Aan de andere kant: die informatie over kruisbesmetting die soms lastig is in de keten — het zijn toch vaak gecertificeerde bedrijven die die producten leveren. Denk aan BRC, IFS, FSSC. Die hebben allemaal een verplichting om allergeneninformatie te bieden en om een validatie van een reiniging te doen. En als je dat al gedaan hebt, dan is die stap naar informatie over kruisbesmetting eigenlijk al gemaakt. Het is soms een beetje zoeken naar het stellen van de juiste vraag. Als iemand zegt: “Oe, ppm'etjes, ik heb geen idee”, en de vraag wordt vervolgens gesteld: “Oké, je bent gecertificeerd, er is een validatie van de reiniging gedaan — wat kwam daaruit?”, dan is dat een vraag die vaak wél beantwoord kan worden. Het is elkaar misschien een beetje vinden.

Alexander Platteeuw: Elkaar begrijpen.

Marjan van Ravenhorst: Elkaar begrijpen, en elkaar ook een beetje helpen in de awareness en in het opvoeden. En het wat tijd geven.

Alexander Platteeuw: Ja, maar zoals je in het begin zei: de allergenenwetgeving bestaat nu toch al ruim 20 jaar. Europa is daar ook al een tijdje mee bezig.

Marjan van Ravenhorst: Maar dat is op ingrediëntniveau. Dit gaat over kruisbesmetting, en daar zit nu de problematiek.

Alexander Platteeuw: Om daar meteen op in te pikken — die kruisbesmettingen. De VITAL-rekentool zit ondertussen aan versie drie, versie vier. Bedrijven die er nog niet mee bezig zijn, deinzen achteruit wanneer dat woord valt of wanneer een retailer met de vraag komt: “Ik wil graag op basis van VITAL weten of er sporen kunnen zijn.” Ze hebben VITAL gehoord en dan treedt er precies een enorme schrik op. Wat ik dan hoor: de informatie die we daarvoor moeten kennen — de kwantificering van mogelijke sporen bij de leverancier, de portiegroottes — men weet niet altijd goed hoe men daaraan moet beginnen of ermee moet omgaan. Kan jij onze luisteraars daarin wat meer geruststellen? Of zeggen dat het inderdaad een moeilijk gegeven is?

Marjan van Ravenhorst: Ik denk dan even terug aan toen HACCP kwam, midden jaren negentig. Dat was ook heel moeilijk; iedereen vond het spannend. Misschien is het een beetje vergelijkbaar. Voor sommige mensen is het nieuw, voor anderen is het al gesneden koek. VITAL of risicobeoordelingen — daar hebben we het eigenlijk over. Want VITAL is een vorm van een kwantitatieve risicobeoordeling, met een bijbehorende tool, VITAL Online. Maar er zijn meer tools en meer systemen. Het is niet zo moeilijk als je eenmaal weet wat je moet doen. Maar om ermee te beginnen en het goed te doen: dat is niet iets waar je op vrijdagmiddag om vier uur even aan begint.

Alexander Platteeuw: Nee, dat hoor ik ook. Ik heb er zelf nog niet praktisch mee gewerkt, maar dat hoor ik wel van mijn klanten.

Marjan van Ravenhorst: Wat het heel concreet inhoudt, is dat je de kruisbesmetting in kaart brengt: van de grondstoffen — de grondstofketen waar we het net over hadden — en van je eigen proces. Dat tel je bij elkaar op. Dan weet je de totale kruisbesmetting, of in ieder geval de mogelijke totale kruisbesmetting.

Alexander Platteeuw: Worst case.

Marjan van Ravenhorst: We gaan hierbij uit van worst case. Dat vergelijk je tegen een veilige grens, en die veilige grens is per allergeen verschillend. Daar zijn vaste waardes voor, die wel afhankelijk zijn van de consumptiegrootte. Het maakt dus uit of je bouillonblokjes produceert of een kant-en-klaarmaaltijd. Van het ene eet je heel weinig — dat hoop ik — en van het andere veel meer. In een product waarvan je veel eet, mag het allergeen eigenlijk in een lagere concentratie aanwezig zijn om dezelfde blootstelling te krijgen.

Alexander Platteeuw: De totale hoeveelheid die je binnenkrijgt kan groter zijn natuurlijk.

Marjan van Ravenhorst: Precies. Het verschil tussen een bouillonblokje van 5 gram en een kant-en-klaarmaaltijd van 500 gram is natuurlijk heel groot. Maar als we kijken naar kleinere verschillen in consumptiegrootte — bijvoorbeeld koekjes, of dat nu 40 of 50 gram is — dan maakt dat in de praktijk niet zoveel uit. Ook daar is die consumptiegrootte dus niet zo heel spannend. Daar zijn ook allerlei tools voor. In België heeft het FAVV bijvoorbeeld een document gepubliceerd met die referentiedosissen — dat zijn die blootstellingen, die exposure, die hoeveelheden die veilig zijn voor de verschillende allergenen — met wat toelichting. Daarbij zit ook een hele tabel met consumptiegroottes. Alle risicobeoordelingen die zij ooit gedaan hebben, hebben ze daar eigenlijk met de consumptiegrootte van gepubliceerd. Dat varieert van barbecuekruiden tot hamburgers, allerlei producten. Zo is zichtbaar wat er vanuit de overheid gekozen is. We kunnen ook voedselconsumptiepeilingen erbij pakken om te kijken wat mensen eten. Dat stukje veilige hoeveelheid en de berekening daarvan is in de praktijk niet zo heel lastig. Daar moet je een keer goed over nadenken en dat onderbouwen, en dan is het klaar. Het meest ingewikkelde is: wat zit er uiteindelijk in het product? Wat komt er vanuit de grondstofketen?

Alexander Platteeuw: Weer opnieuw die informatie van de leverancier, die het dan misschien ook niet altijd goed weet.

Marjan van Ravenhorst: Ja, en die we dus moeten helpen. En anderzijds de kruisbesmetting in het eigen productieproces, om dat goed in kaart te brengen. Ook daarbij is de validatie van de reiniging een belangrijk instrument.

Alexander Platteeuw: Ik ben ooit bij een bedrijf geweest — het is al een tijdje geleden — dat leverde aan een Engelse retailer. Ze maakten één product met noten. De noten moesten achter slot en grendel bewaard worden. Als mensen iets van noten nodig hadden, was dat allemaal hermetisch verpakt. Dan moesten ze een rood jasje aandoen, een rood haarnetje, en in de productie moest er een extra wand gezet worden. Kortom, met gezond boerenverstand dacht je: oei oei, dit is een ferme overdrijving. Ik hoor graag ook eens jouw visie erop.

Marjan van Ravenhorst: Helemaal mee eens. Als dat echt een risico zou zijn, dan zou het leven voor mensen met een noten- of pinda-allergie gewoon levensgevaarlijk zijn. Noten, pinda's en sesam worden vaak als hoog-risicoallergenen genoemd, maar daar is geen enkele wetenschappelijke onderbouwing of bewijs voor. Als we kijken naar incidenten waarbij mensen ernstig ziek worden, dan komen noten en pinda's er vaak voor. Maar mensen kunnen ook overlijden als gevolg van een allergie voor melk, voor ei, voor garnalen of voor vis. Sommige mensen hebben het idee dat noten, pinda's en sesam de enige allergenen zijn waar je een shock van kan krijgen en aan kan overlijden. Dat is niet correct.

Alexander Platteeuw: Het zijn natuurlijk sprekende verhalen. De “peanut kiss” van het meisje in Canada destijds haalde de wereldpers. Dat is iets wat iedereen dan onthoudt.

Marjan van Ravenhorst: Ja, precies. Maar op dit moment is er bijvoorbeeld in de UK een rechtszaak waarbij iemand overleden is als gevolg van een melkallergie. Dat was een vegan wrap met een melkbesmetting. Deze vrouw was ernstig allergisch voor melk. Er bleek toch melk in die vegan wrap te zitten, en zij is overleden. Dat wordt ook breed uitgemeten in de pers — eigenlijk worden alle zaken in Engeland breed uitgemeten, omdat daar ook juridisch een stuk opvolging op zit. Veel van die zaken zijn inderdaad met pinda's en noten, maar niet alleen. Het idee dat door de jaren heen is ontstaan, dat het alleen om noten, pinda's en sesam gaat, is gewoon niet correct. En het is ook niet nodig. Wat we veel zien, is dat er dan ook maatregelen worden genomen richting de lunch en de kantine.

Alexander Platteeuw: De Snickers uit de snoepautomaat.

Marjan van Ravenhorst: Of de lunchpromoties van de operators. En dat gaat echt veel te ver, want daar kan natuurlijk ook tonijnsalade op zitten, of een broodje kaas.

Alexander Platteeuw: Dat zal daar zo zijn.

Marjan van Ravenhorst: Daar zullen álle allergenen zijn. Het is veel belangrijker om ervoor te zorgen dat wat er in de kantine gegeten wordt, niet in de productie terechtkomt. En ik denk dat we daar met z'n allen ondertussen wel erg bedreven in zijn: dat handen worden gewassen na het eten.

Alexander Platteeuw: Dus je pleit eigenlijk voor meer gezond boerenverstand. Om terug te komen op het verhaal van de Engelse retailer: dat zijn eisen die opgelegd zijn, niet op basis van risico-inschattingen, maar gewoon “zo moet je het doen, niet anders — we hebben dat ergens zo bepaald”.

Marjan van Ravenhorst: Het staat in de Code of Practice, en daarmee is het een eis geworden. Maar ik denk dat het heel verstandig is die Code of Practice op die punten in perspectief te zien — net als de beleving van sommige auditoren voor BRC of IFS. De kantine is toch vaak even een punt om bij langs te lopen, om dat weer in perspectief te zien.

Alexander Platteeuw: Een discussiepunt is bijvoorbeeld ook: moeten we mensen verplichten om de witte schort uit te doen in de kantine, ja of nee? BRC zegt: “based on risk.” De vraag komt dan bij mij: wat moeten we doen? Hoe ziet het productieproces eruit?

Marjan van Ravenhorst: Ik denk dat dat ook risk-based moet zijn. Op het moment dat mensen een overschort aandoen, of van die mouwhoezen, sleeves, handschoenen — als ze direct contact hebben — wat is dan nog het risico vanuit de kantine?

Alexander Platteeuw: Het heeft natuurlijk ook te maken met awareness — dat woord hebben we al gebruikt — de awareness van het personeel. Iemand die zich van geen kwaad bewust is, eet de boterham met pindakaas, dat hangt overal, en dan gaat die even de productie in. Dat is natuurlijk een spijtige zaak. Hoe zie je de awareness van productiepersoneel evolueren?

Marjan van Ravenhorst: Wat wij zien, is dat productiepersoneel zich daar over het algemeen wel van bewust is. In algemene voedselveiligheidstrainingen worden allergenen benoemd. Wat we nog wel eens zien, is dat ze het lastig vinden, of dat hun niet verteld is wat de link is met hun werk, met hun werkzaamheden. Dan weten zij de allergenen niet te identificeren en wordt het een beetje een abstract verhaal dat geen relatie lijkt te hebben tot hun werk. Dan weten ze dus ook niet wat ze met die allergenen moeten doen. Dat stukje — het koppelen van algemene kennis aan wat ze concreet moeten doen — is denk ik erg belangrijk.

Alexander Platteeuw: Wat in mijn ervaring altijd helpt als ik een opleiding geef, is dat er ook een stukje persoonlijk verhaal in komt. Als er één iemand in het publiek zit die zegt: “Ik ben allergisch”, of “mijn vrouw of mijn kind is allergisch”, en die begint daarover te vertellen, dan zie je dat besef bijna letterlijk inzinken. Als je dan, zoals je zegt, de vertaalslag kan maken: “Mensen, jullie zijn wel de producten aan het produceren die die mensen gaan opeten.”

Marjan van Ravenhorst: Ja, dat helpt enorm. Sommige mensen denken ook dat het een beetje aanstellerij is; dan zijn ze ook niet erg geneigd om iets te doen. Maar wat ook belangrijk is: bedrijven die zeggen “we hebben een speciale kleurcodering, de gele borstels gebruiken we voor allergenen” — ik noem maar wat — en dat de operators dan niet weten aan te geven welke producten allergenen bevatten. “Meneer, gebruik je dan die gele borstel?” De relatie met hun eigen werkzaamheden is er dan niet, en dan kunnen ze het ook niet uitvoeren. Dus het is belangrijk om die koppeling te maken: wat betekent dat dan voor jouw werkplek?

Alexander Platteeuw: Ik kom nog even terug op die BRC-auditor waarover je het daarnet had. Zie je een verschil met 20 jaar geleden in hoe auditoren omgaan met het aspect allergenen? Je kreeg ook wel de feedback na de audit van je klanten: “Marjan, ze hebben hier een non-conformiteit gegeven op allergenenbeheer.”

Marjan van Ravenhorst: Nou ja, door de jaren heen is de nadruk verschoven van allergenenetikettering als ingrediënt naar die kruisbesmetting. In de meeste standaarden is dat aspect ook wel gekomen. Maar niet alleen allergenen — er zijn veel meer aspecten bijgekomen, en die standaarden zijn enorm groot geworden. Dat vraagt ook wel wat van een auditor. Ik ben er zelf een geweest, en als je ziet wat iemand toch in relatief korte tijd allemaal na moet gaan: dat is veel. En de kennis om dat goed te beoordelen, zeker als het gaat over allergenen en analyses, is een specialisme. Dat kan je ook niet altijd verwachten.

Alexander Platteeuw: Zie je dat daar soms toch wat op af te dingen valt?

Marjan van Ravenhorst: Soms worden dingen inderdaad bij bedrijven neergelegd waarvan je denkt: nou, dat ligt toch een beetje genuanceerder — met wat extra kennis was dit punt misschien niet zo zwaar aangerekend. En andersom werd het andere punt juist wél terecht geconstateerd. Ook de risico-inschatting van de punten: daar heb je een stukje ervaring en kennis voor nodig, denk ik. En het is nogal veel.

Alexander Platteeuw: Ja. Ik zat zoveel jaren geleden in hetzelfde schuitje, dus ik weet het.

Marjan van Ravenhorst: Niet voor niets de overstap gemaakt.

Alexander Platteeuw: Een sprongetje naar jouw moederland Nederland. In Nederland is sinds 1 januari van dit jaar de PAL, de Precautionary Allergen Labeling, van toepassing. Die zou duidelijker moeten maken — zo zal ik het uitdrukken — of je die sporenvermelding mag of moet toepassen. Zie je in de praktijk, want wetgeving is één ding, dat de NVWA daar nu ook meer op controleert? Dat die daar strenger op toeziet?

Marjan van Ravenhorst: Het Nederlandse beleid rond kruisbesmetting met allergenen is op 1 januari van kracht gegaan, met een overgangstermijn tot 1 januari 2026. Dus bedrijven zitten nu nog in…

Alexander Platteeuw: …de overgangsfase.

Marjan van Ravenhorst: In de overgangsfase. En wat we zien, is dat bedrijven daarmee aan de slag gaan en informatie gaan verzamelen. Van alles wordt nagegaan en opgezet. Bedrijven zijn ermee bezig; we zien dat het opgepakt wordt. Handhaving is dus nu nog niet aan de orde.

Alexander Platteeuw: Ja, van de NVWA hoor je daar nog niets rond. Ze hebben nog niet veel om op te steunen natuurlijk.

Marjan van Ravenhorst: Bedrijven krijgen nu ook nog die ruimte. Kijk, wat we in recallsituaties zien, is dat de NVWA het beleid er al bij pakt. En dat is een hele positieve ontwikkeling, vind ik. Want het was best wel een overgang ten opzichte van wat er lag: de tijdelijke referentiewaardes. Ik weet niet of je daarvan op de hoogte bent — er waren hele lage waardes.

Alexander Platteeuw: Misschien voor onze luisteraars even toelichten?

Marjan van Ravenhorst: Ja. In 2016 werden in Nederland de tijdelijke referentiewaardes vastgesteld. Dat waren hele lage waardes, die ook niet in lijn lagen met wat in België gehanteerd werd; die lagen een stuk lager. Maar wat ook een groot verschil was ten opzichte van België — en eigenlijk ook met heel veel andere landen in Europa — was dat wanneer het gehalte, de concentratie van kruisbesmetting, boven die hoeveelheid lag, boven die veilige grens, gezegd werd dat het product onveilig was. Een PAL, een Precautionary Allergen Labeling of “may contain”-vermelding — de waarschuwing dus — werd niet gezien als risicocommunicatie. Het maakte dus niet uit of een product zo'n waarschuwing had of niet: als het boven die grens zat en het stond niet in de lijst van ingrediënten, dan was het een foute boel. Dat is waar we vandaan kwamen. Maar per 1 januari 2025 is dat anders. Dat is een proces waar veel stakeholders bij betrokken zijn geweest — patiëntenverenigingen, retail, industrie — en dat heeft geleid tot een nieuw beleid: de veilige grenzen die een stuk hoger liggen, in lijn met België. Jullie waren early adopters. Dat beleid houdt nu in dat, als het boven die grens zit, er nu wél een waarschuwing nodig is, en dat die ook gezien wordt als risicocommunicatie. Met de incidenten van de afgelopen maanden in Europa heeft de Nederlandse overheid dat systeem erbij genomen. Het is heel fijn om te constateren dat het consistent is en dat bedrijven daarmee aan de slag kunnen.

Alexander Platteeuw: Mooi, ik heb al veel bijgeleerd. Nog een vraagje over Europa. De lijst van allergenen staat al een tijdje op 14. Het begon als 12, dacht ik — de weekdieren en de lupine zijn er toen bijgekomen. Zit er iets in de pipeline waardoor die lijst nog aangepast zou worden?

Marjan van Ravenhorst: Ik verwacht het wel, ja. Die referentiewaardes waar we het net over hadden, en waar België in 2022 eigenlijk de eerste was om die te omarmen, komen uit adviezen aan Codex Alimentarius. Dat zijn adviezen van een expertgroep van FAO/WHO. Zij hebben vijf adviezen uitgebracht aan Codex, en een van die adviezen gaat over welke allergenen eigenlijk een allergeen zijn in deze tijd. De oude lijst komt uit 1999 in Codex, dus dat is ruim 25 jaar geleden. Het advies dat er nu ligt, lijkt wel op de lijst met 14 — er komen er een paar bij, er gaan er misschien een paar af — maar er wordt in de besprekingen in Codex nu onderscheid gemaakt tussen priority allergens, echt belangrijke allergenen die wereldwijd zouden gelden, en regionale allergenen.

Alexander Platteeuw: Ja, want die kunnen verschillen tussen Aziatische en Kaukasische populaties.

Marjan van Ravenhorst: Ja, boekweit is bijvoorbeeld in Azië een belangrijk allergeen; hier is dat minder. Dus boekweit staat op de lijst met regionale allergenen, en veel van de allergenen die we nu op de wettelijke lijst in Europa hebben, staan op de regionale lijst. Wat Europa daarin gaat kiezen zodra de Codex-standaard klaar is — en ik verwacht dat dat op redelijk korte termijn is — dan hebben we twee lijsten, de priority en de regionale, en dan is het aan Europa om daar iets mee te doen.

Alexander Platteeuw: Maar je hebt nog geen geluiden uit Europa gehoord dat ze daar in de een of andere richting neigen?

Marjan van Ravenhorst: Nee. Het enige wat duidelijk is, is dat lactose niet als een allergeen op zich gezien wordt. Het gaat om melk, om de melkeiwitten, en vaak is dan lactose ook aanwezig. Dat is het enige waar echt een streep doorheen lijkt gezet. De rest is een beetje spannend. Weekdieren staan er ook niet meer bij, maar voor de rest staat alles min of meer nog op de lijst — of op de priority- of op de regionale lijst.

Alexander Platteeuw: Interessant. Ik onthoud dat het een dynamisch gegeven is. Misschien horen de luisteraars dat niet graag, maar het gaat een blijvende opvolging zijn.

Marjan van Ravenhorst: Er gaat inderdaad veel veranderen. In die vijf adviezen van FAO/WHO zitten ook die reference doses waar België, Nederland, maar ook andere landen al mee bezig zijn. Die wachten eigenlijk niet eens op de vaststelling binnen Codex en de Europese regelgeving; die adviezen worden al gebruikt.

Alexander Platteeuw: Het zal alleen nog verder verspreid worden naar de andere Europese lidstaten.

Marjan van Ravenhorst: Ja, dus een stukje harmonisatie is wel te verwachten, omdat dat ook op Codex-niveau speelt.

Alexander Platteeuw: Het is positief dat we allemaal dezelfde taal spreken.

Marjan van Ravenhorst: Ik vind dat heel belangrijk. Die harmonisatie hebben we hard nodig, want we zijn Europa. En iedereen zit te worstelen met deze vraagstukken.

Alexander Platteeuw: We produceren in België, maar we exporteren naar 27 lidstaten. Dan wil je natuurlijk wel in lijn zijn.

Marjan van Ravenhorst: Precies.

Alexander Platteeuw: Goed. Dankjewel Marjan. Ik heb enorm veel bijgeleerd, en ik hoop de luisteraars ook. Ik dank je hartelijk voor dit gesprek.

Marjan van Ravenhorst: Bedankt voor de uitnodiging. Het was leuk om hier te zijn.

Alexander Platteeuw: Graag gedaan.

Nood aan antwoorden of oplossingen
ivm voedselveiligheid?

Ik ben op zoek naar praktijkgerichte antwoorden op mijn specifieke food safety vraag
Alexander