Listeria challenge testen en het FAVV

Een laboratorium ziet voedselonveilige resultaten als eerste en moet ze melden aan de overheid (FAVV – NVWA), ook al zit er een klant aan de andere kant van de lijn. Bart Aesaert, business unit manager food bij Eurofins-Ecca, legt uit hoe zijn labo dat spanningsveld oplost, wat er op 1 juli 2026 verandert aan de Listeria-norm en waarom veel bedrijven hun challengetest nog moeten inplannen.

Mei 2025 – 46 min – Seizoen 1, aflevering 8

Wie is Bart Aesaert van labo Eurofins Ecca?

  • Bart Aesaert, master in de chemie, sinds 2005 actief in de labowereld, gestart als kwaliteitsverantwoordelijke bij labo Biotox in Jabbeke.
  • Na de overname door labo Ecca in 2007 schoof hij door naar customer service en customer relations.
  • Sinds januari 2024 maakt labo Ecca deel uit van de Eurofins-groep; daar is hij business unit manager food.
  • Hij staat voor de slogan “more than a lab” en kent de interne keuken van een van ‘s lands grootste leveranciers van analytische diensten aan de voedingssector.

Welke onderwerpen komen aan bod?

  • Meldingsplicht en het KB van 14 november 2003: risicoanalyse bij de producent, de 48-uursregel, verschil tussen verwerkende sector en detailhandel.
  • Het advies van het wetenschappelijk comité over de tegenanalyse: waarom een tweede microbiologische analyse wetenschappelijk niet relevant is.
  • Challengetesten en Verordening (EG) nr. 2073/2005: criterium 1.2, “niet aangetoond in 25 g” versus 100 kve/g, de omzendbrief van het FAVV, en de verduidelijking vanaf 1 juli 2026 die de norm over de hele houdbaarheid laat gelden.
  • Drinkwater, PFAS en data: het KB van 4 februari 2024 en de omzendbrief, transparantie over analysepakketten, en wat Eurofins met 450 miljoen testen per jaar en artificiële intelligentie wil doen (staalherkenning, suggesties, voorspellingen rond mycotoxines).

En zoveel meer!

Waarom zou ik luisteren?

  • Je hoort concreet wat er op 1 juli 2026 verandert aan de Listeria-norm, en waarom veel bedrijven daar volgens Bart nog niet klaar voor zijn.
  • Je krijgt de challengetest volledig uitgelegd: predictieve modellen, de halve log, één of drie loten, representativiteit via pH en aw.
  • Je ziet de meldingsplicht eens vanuit het labo: hoe 600.000 analyses per jaar beoordeeld worden en waarom je zoveel alerts krijgt.
  • Je hoort wat een labo wél en niet doet met wetgeving zoals het drinkwater-KB en PFAS, inclusief het antwoord op het verwijt dat labo’s daar extra parameters aan verdienen.

Introductie

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Mijn gast van vandaag is wat we een oude rot in het vak noemen: al sinds 2005 is hij actief in de labowereld. Na zijn studies master chemie startte hij zijn carrière als kwaliteitsverantwoordelijke bij het toenmalige labo Biotox in Jabbeke, om daar de twintig jaar erna niet meer weg te gaan. Het is te zeggen: vanaf de overname door labo Ecca in 2007 richtte hij zijn pijlen gaandeweg op customer service en customer relations.

Sinds januari 2024 is labo Ecca onderdeel van de Eurofins-groep, waar hij als business unit manager food verantwoordelijk is voor het onderhouden en uitbouwen van het klantenbestand. De bedrijfsslogan 'more than a lab' is waar hij helemaal voor — en eigenlijk ook wel achter — staat, zo zegt hij zelf. Wie kunnen we dus beter interviewen over de interne keuken bij een van 's lands grootste leveranciers van analytische diensten aan de foodwereld dan deze man.

Welkom, Bart Aesaert.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Dank je voor de uitnodiging, Alexander.

Klanten, labo's en het spanningsveld met het FAVV

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Graag gedaan. Bart, jij kent je functie als geen ander, en natuurlijk ook de verwachtingen van de klanten, zeg maar de voedingsbedrijven. Hoe heb jij die zien evolueren doorheen de jaren?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Als ik daar algemeen op terugkijk — ondertussen al een twintigtal jaar actief — dan denk ik dat de verwachtingen in se niet gigantisch gewijzigd zijn. Ze zijn zeker geëvolueerd, maar een paar dingen zijn van 2005 tot nu altijd van toepassing gebleven. In de eerste plaats betrouwbaarheid, het kwaliteitsstuk: dat was er toen en dat is er nu nog altijd als verwachting. Dan heb je snelheid, waar ik straks wat dieper op terugkom. En dan heb je nog altijd: doen wat je belooft.

Als ik kijk naar kwaliteit en betrouwbaarheid, dan was in 2005 de ISO 17025-accreditatie al de standaard. Dat is nog altijd zo. Ze is natuurlijk sterk geëvolueerd, want die normen veranderen en daar pas je je als labo aan aan. Maar dat is de kwaliteitsmanagementnorm voor testlaboratoria, die algemene eisen stelt aan competentie, middelen, processen, kwaliteit enzovoort. Die verwachting van de klant dat kwaliteit en betrouwbaarheid aanwezig zijn, wordt dus ondersteund door ISO 17025.

Als ik dan naar snelheid kijk: de definitie van snelheid, als je daar even bij stilstaat, is tussen 2005 en 2025 wél gigantisch veranderd. Digitalisatie en automatisatie zorgen ervoor dat je meer én sneller kunt leveren. Maar in se hadden we zelfs in 2005, toen ik begon, al klanten die hamerden op die analysetermijn, vanuit het principe van positieve vrijgave. Dat is logisch: als je op iets zit te wachten, dan wil je dat resultaat.

Dus in 2005 was dat er ook al, alleen zijn de mogelijkheden om nu sneller te gaan — zowel qua methodes als gewoon organisatorisch — veel sterker uitgebreid. En dan natuurlijk: doe wat je belooft. Heldere afspraken maken met je klanten, duidelijke communicatie. In dat kader zeggen wij, ook een beetje in het kader van snelheid: durf de telefoon te nemen. Daar zetten wij nog altijd hard op in. Als je duidelijke afspraken maakt en snel wil reageren, dan is de telefoon nog altijd het snelste kanaal.

Maar we hebben ook andere afspraken met klanten. Heel simpel: op opmerkingen en klachten die ze sturen, streven wij ernaar om binnen de 24 uur te reageren, zodat klanten weten dat daar snel op gereageerd wordt. Voor algemene vragen of verzoeken proberen we naar maximum 72 uur toe te werken. Dat is een beetje 'doe wat je belooft': duidelijke, vlotte communicatie, en dan weet iedereen wat hij mag verwachten. Dat is de kapstok. Is er iets niet goed, meld het, en we kunnen er proactief mee aan de slag.

Natuurlijk bestaat 'de klant' niet — ik denk dat dat bij jou ook wel van toepassing is. Hoe gaan wij daar dan mee om, om dat toch een beetje te standaardiseren? Door heel veel interactie met de klant, heel veel persoonlijk contact. Daar zetten we echt hard op in. Waarom? Wij zijn op die manier organisch meegegroeid met onze klanten: door te luisteren weet je wat ze nodig hebben en kun je schakelen.

Een voorbeeld is Qlab, dat je daarnet aanhaalde: ons online portaal. Wij zijn op een bepaald moment from scratch begonnen, zijn gaan luisteren naar wat de noden van de klanten waren, en daar hebben we dat proces van Qlab op afgestemd. Dat is een beetje waar we met dat modern lab voor staan: blijven luisteren naar de verwachtingen van de klanten en samen naar oplossingen zoeken.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Nu, klanten zijn één deel van het verhaal. Er is natuurlijk ook nog die andere partij in het veld: onze vrienden van het Voedselagentschap, het FAVV. Daar is het KB van de meldingsplicht, de wettelijke vereiste. Daarin worden jullie als labo ook verplicht om voedselonveilige resultaten te melden aan de overheid — want jullie zijn natuurlijk de eersten die ze zien opduiken. Dat is dus een zeker spanningsveld: enerzijds heb je een commerciële band met je klant, anderzijds heb je die wettelijke verplichting vanuit het Voedselagentschap. Hoe ervaren jullie dat spanningsveld? Dat is uiteraard geen communicatie waar je zomaar licht over gaat.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Nee, absoluut niet. Dat is een interessante vraag, want dat spanningsveld dat je benoemt is inderdaad een logisch iets. Nu, het KB van 14 november 2003 — dus al meer dan twintig jaar oud — spreekt over de traceerbaarheid, de autocontrole en de meldingsplicht, waarbij elke producent op het ogenblik dat hij een voedselonveilig resultaat vaststelt, moet overgaan tot melding aan het Voedselagentschap.

Dat bestaat dus al meer dan twintig jaar. En als je naar de evolutie van die meldingsplicht kijkt: in het begin kon het labo daarvan ontslagen worden. Een bedrijf kon een document tekenen waarin het de rol van het labo overnam en zei: wij krijgen de resultaten, wij gaan er verder mee aan de slag. Dat is al lang uit het verhaal, dus die verantwoordelijkheid ligt zowel bij de producent als bij het laboratorium.

Kijken we dan even naar de verwerkende sector: hoe moeten die daarmee omgaan, en hoe moeten wij daarmee omgaan? Wel, als wij een analyseresultaat beschikbaar stellen, is de verwerkende sector verplicht om, als het een voedselonveilig of mogelijk voedselonveilig resultaat betreft, daar een risicoanalyse op uit te voeren. Het is dus de bedoeling dat de producent die risicoanalyse doet. Dan heb je twee opties: ofwel is het een voedselonveilig resultaat en moet je overgaan tot melding — daar heb je 48 uur tijd na de initiële vaststelling — ofwel is er geen risico, en dan moet de onderbouwing daarvan ook door de producent aan het labo aangeleverd worden.

Wanneer kan er geen risico zijn? Als de producten bijvoorbeeld nog op de site zijn en nog niet in de markt: dan heb je in se geen direct risico voor de gezondheid van mens, dier of plant, en vervalt de meldingsplicht. Maar geen meldingsplicht wil niet zeggen dat ze niets meer moeten doen — dat weet jij even goed als ik, of beter zelfs. Ze moeten corrigerende maatregelen nemen. Vernietigen is er daar één waar vaak aan gedacht wordt, maar dat volstaat niet. Je moet in de risicoanalyse ook kijken naar preventieve maatregelen: wat was de oorzaak, hoe kan ik het naar de toekomst toe voorkomen? En die hele onderbouwing moet je in het bedrijf beschikbaar houden, zodat het Voedselagentschap dat bij een controle kan verifiëren.

Dat is voor de verwerkende sector zowat de standaardwerking. Eén aandachtspunt daarbij zijn de grondstoffen: als je in de verwerkende sector een grondstof binnenkrijgt, die controleert en daar komt een voedselonveilig resultaat uit, dan vereist het FAVV dat je dat meldt. Dat is op zich logisch en begrijpelijk, want die grondstof kan ook door derde partijen gebruikt zijn. Die melding is daardoor een essentieel onderdeel.

Wanneer het Voedselagentschap in beeld komt

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Een extra spanningsveld natuurlijk, want dan is er nog een vierde partij in het spel: de leverancier van de klant.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Absoluut, en dat is zeker een extra spanningsveld. Als je dan naar de detailhandel kijkt: stel dat je daar analyses uitvoert, om welke reden dan ook, en daar komt een voedselonveilig resultaat uit, dan is er geen risicoanalyse nodig — daar moet je sowieso direct melden. Dat is dus wel een verschil tussen detailhandel en verwerkende sector.

Om te schetsen hoe wij als labo daarmee omgaan en dat spanningsveld absoluut proberen te vermijden: bij meldingsplicht wordt vaak aan pathogenen gedacht, salmonella en listeria, maar het is natuurlijk veel breder dan dat. Alle mogelijke contaminanten — metalen, mycotoxines — zijn ook te beoordelen.

Als je dan weet dat wij als Ecca-Biotox ongeveer 600.000 analyses per jaar registreren...

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Hoeveel?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

600.000 unieke testen. Die zijn natuurlijk niet allemaal gekoppeld aan een al dan niet voedselonveilig resultaat, maar een groot deel wel. Die moeten dus alle 600.000, tussen aanhalingstekens, beoordeeld worden. Dat is best een uitdagende opdracht. Dat is één. Twee — en dat weet jij waarschijnlijk ook wel — wij krijgen stalen binnen in een zakje met een nummer op. Je weet dus ook niet altijd wat je precies binnenkrijgt. Je hebt daar een analyseresultaat uit. Wat doen we daar nu mee?

Als laboratorium, weer vanuit dat idee van het modern lab, zijn wij de meldingsplicht vanuit een positieve insteek gaan bekijken. Hoe kunnen we daar best mee omgaan? We hebben geredeneerd: laten we een systeem opzetten, een workflow, waarbij we de laagste tolerantie als alarmbel hanteren. Je hebt een staal binnen met een bepaalde waarde; is die overschreden ten opzichte van de tolerantie, dan gaat de alarmbel af.

In de eerste fase beoordelen wij dan vanuit customer service of we voldoende info hebben om al een eerste evaluatie te maken. Zo niet, dan krijgt de producent — de aanvrager, de klant — van ons een alert, met de vraag om over te gaan tot een risicoanalyse.

Door die laagste norm te hanteren hebben wij veel alerts. Dat is logisch, als je niet alle info hebt. Die gaan naar de klant, en dan volgen wij, conform onze wettelijke verplichting, op dat we daar tijdig — dus binnen die 48 uur — een antwoord op krijgen. Op die manier denken we dat we positief met die meldingsplicht omgaan naar de klanten toe, dat we hen ondersteunen. En we staan ook open voor vragen en interactie.

Eerlijk: op dit moment ervaren wij dat niet als een spanningsveld. Ik ga niet zeggen dat dat twintig jaar geleden ook zo was, maar nu is dit een geïntegreerde manier van werken. Klanten weten op voorhand, door die duidelijke communicatie, hoe wij ermee omgaan. En dat is wel belangrijk, want het gaat over voedselveiligheid: daar moet je samen met je klant mee aan de slag.

Nu, stel dat er een dossier is dat meldingsplichtig is. Wij moeten daar het bewijs van melding van de klant op opvolgen, en op het moment dat we dat hebben, is het voor ons case closed. Maar wat mij dan boeit — en dan stel ik jou eens een vraag, als dat mag — is dat op dat moment het werk van de producent niet ten einde is. Wat gebeurt er dan praktisch nog? En hoe verloopt de interactie met het Voedselagentschap?

De recallprocedure

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Dan treedt de recallprocedure van het bedrijf in kwestie in werking. En dat moet ik wel zeggen: dat heb ik sterk zien evolueren, net zoals jij al aangaf, doorheen de laatste pakweg twintig jaar. Vroeger was het basisidee: melden doen we liever niet, hoe kunnen we er rond fietsen? Vandaag is dat eigenlijk niet meer het geval. Iedereen begrijpt: oké, we moeten melden. En er zijn zodanig veel meldingen — maar goed, hoe meer je meet, hoe meer je ook weet, en hoe groter de kans dat je vroeg of laat tot een onveilig resultaat komt. Maar dat is dan ook maar zo. Dat is een maatschappelijke verantwoordelijkheid die bedrijven toch wel nemen, denk ik.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Absoluut. En dat zorgt er ook voor dat dat spanningsveld met de labo's gedaald is.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Het spanningsveld met het Voedselagentschap is er in bepaalde gevallen wel nog, hoor. Ik zie namelijk dat er interpretatieverschillen zijn tussen de verschillende LCE's, de lokale controle-eenheden. Bedrijven doen hun wettelijke plicht, ze melden het aan het FAVV, en dan krijgen ze geen antwoord. Of ze krijgen als antwoord: ja maar oké, mits je de stock die je nog hebt blokkeert, ben je ervan af.

Terwijl dat bedrijf soms dacht: oei, dit moet hier een public recall worden. Dat is soms wel een moeilijke, en daar merk ik dat er nog verbetering mogelijk is om alles in België op één lijn te krijgen.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Gaat dat snel, die communicatie tussen het Voedselagentschap en het bedrijf? Wij worden immers geacht binnen de 48 uur te reageren, en bedrijven ook.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

In de meeste gevallen wel, maar daar zijn uitzonderingen op. Soms volgt er geen antwoord. Dan zegt het bedrijf: oei, wij doen onze plicht. Misschien is het omdat het vrijdagnamiddag is, ik weet het niet, maar dan gaat er een weekend over. Dat is natuurlijk meer dan 48 uur.

Oké, duidelijk. Maar bedrijven zijn daar wel mee vertrouwd.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Ja, ik denk dat dat ondertussen ook meer in de procedures terechtgekomen is.

Wat BRC en IFS eisen van je tegenstaal

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

De normen zoals BRC en IFS verplichten en hameren erop dat je een goede, sluitende recallprocedure hebt, met ook strakke tijdslijnen erin.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Logisch, en dat je dat ook test.

Het wetenschappelijk comité van het FAVV

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Ja, inderdaad. Nu, het FAVV heeft ook zijn wetenschappelijk comité. Onlangs was er nog een publicatie van dat comité, die ik ook aan mijn klanten kenbaar gemaakt heb. Zij publiceerden een advies over — ik noem het dan maar zo — de onzin van een tweede microbiologische analyse, de tegenanalyse.

Men krijgt een ongunstig resultaat, en dan zegt men: wacht eens, we hebben hier nog stalen liggen, we doen een tegenanalyse. Die tegenanalyse is dan misschien wel gunstig, maar dan zit je met één ongunstig en één gunstig resultaat. Volg jij die visie van het wetenschappelijk comité, of niet?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Dat advies is inderdaad in december vorig jaar gepubliceerd, een advies op het KB betreffende het nemen en analyseren van monsters. Ze hebben in dat advies geconcludeerd dat een tweede microbiologische analyse wetenschappelijk niet relevant is. Dat is onderbouwd met een aantal zaken; laat me die kort toelichten.

Het eerste gaat over het feit dat een analyse door een erkend laboratorium leidt tot een betrouwbaar resultaat voor de microbiologische veiligheid van de geteste partij. Een tweede argument gaat over de heterogeniteit van de contaminatie.

En een derde gaat over de impact van de tijdelijke opslag van die monsters vooraleer je de tweede analyse uitvoert. Daar verwijzen ze naar een ISO-norm die wij in het labo ook moeten gebruiken: ISO 7218, als ik me niet vergis. Die gaat over de algemene eisen voor microbiologisch onderzoek, en daarin wordt inderdaad ook vermeld dat je bij een tweede analyse een ander resultaat kunt krijgen — opnieuw door die heterogeniteit van de contaminatie, want je gaat niet hetzelfde stuk van het staal analyseren, maar ook door de impact van tijdelijke bewaring op de microbiële flora in het algemeen.

Die drie zaken samen — erkend laboratorium, heterogeniteit en tijdelijke opslag — hebben het wetenschappelijk comité tot de conclusie geleid om artikel 7 van het KB aan te passen en daar ook voor microbiologische analyses te vermelden dat een tweede analyse niet van toepassing is. Dat vermelden ze dus in dat advies.

Ondertussen is dat KB in april gepubliceerd, en artikel 7 is nog niet aangepast. Met dat advies is dus nog niets gedaan, of het is geparkeerd — dat weten wij natuurlijk niet. Wij volgen dat gewoon verder op, en als daar wijzigingen zouden zijn, communiceren wij die naar onze klanten. Maar op dit moment is het KB gepubliceerd zonder dat advies daarin te verwerken.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Het belangrijke is dus dat het gaat over microbiologische analyses.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Ja, het gaat echt over microbiologische analyses.

Chemische analyses en het tegenstaal

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

En chemische analyses? Hoe zit het daar met een tegenstaal? Kunnen we daar dezelfde principes op toepassen?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Daar is op dit moment weinig advies over gegeven. Als je daar ook naar de heterogeniteit kijkt: een chemische analyse — hoe is het staal bemonsterd? Zeker wat de heterogeniteit betreft zijn er gelukkig voor een aantal contaminanten al procedures beschikbaar over hoe je moet bemonsteren.

Als je die weg volgt, heb je een bepaalde zekerheid over de representativiteit. Maar eigenlijk kun je daarover aan het wetenschappelijk comité dezelfde vraag stellen.

Mycotoxines: een rekenvoorbeeld met graan

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Ik stel het mij zo voor: er komt een schip binnen met graan. Hoeveel ton zit daarin? Ik weet het niet, dat zijn tientallen tonnen. Maar daar zijn methoden voor beschreven om die heterogeniteit af te vlakken.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Dat is een interessant voorbeeld dat je graan aanhaalt, dus mycotoxines. Daar zijn inderdaad officiële verordeningen voor.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Is dat dan per contaminant anders vastgelegd?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Ik ken ze niet allemaal van buiten, maar voor een aantal contaminanten zullen die beschikbaar zijn, en zeker ook weer niet voor alles. En het is logisch, het is statistiek: als je uit een hoeveelheid van een ton een staal in gram neemt, weet iedereen dat dat statistisch niet representatief zal zijn.

Er moeten daar dus wel officiële monsternameprocedures voor beschikbaar gesteld worden, die er dan toe kunnen leiden dat er minder discussie is over analyse tegen analyse. Maar dan moeten de wetgevers dat vastleggen. Als je nu kijkt naar dit wetenschappelijk advies en de onderbouwing ervan — je vroeg mij een visie daarover — dan volg ik die onderbouwing wel.

Ik begrijp die stelling dus zeker. Je wil ook altijd vermijden dat het voedselveiligheidsaspect uit het oog verloren wordt. Een analyse tegen analyse moet zeker een nuttig doel hebben.

En als het echt een voedselveiligheidsissue is, dan moet je zeker zijn dat analyse tegen analyse tot hetzelfde leidt. Anders kun je verkeerde conclusies trekken.

Kritische analyses en de Listeria-criteria

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Duidelijk. Nu we het over die kritische analyses hebben: het gaat hier over voedselveiligheidsanalyses, en daar is de laatste jaren ook heel wat veranderd rond de challengetesten die foodbedrijven al dan niet moeten uitvoeren om aan te tonen dat Listeria — het pathogeen Listeria monocytogenes specifiek — niet zal uitgroeien tijdens de houdbaarheid van het product.

Kun jij de actuele eisen rond die challengetesten nog eens duidelijk verwoorden voor onze luisteraars?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Ja, even een klein stapje terug. De Europese Commissie heeft voor Listeria monocytogenes voedselveiligheidscriteria vastgelegd in Verordening (EG) nr. 2073/2005. Dat was toevallig ook mijn startjaar, en zowat de eerste van mijn...

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Die heeft jou getriggerd om te beginnen.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Nee, dat nu niet speciaal, maar het was wel mijn eerste grote uitdaging, want dat was de microbiologische verordening. Dus dat was belangrijk. Daarin zijn voedselveiligheidscriteria vastgelegd, meer bepaald in bijlage I, criterium 1.2. Als je de link legt naar die challengetesten, dan benoemt dat criterium twee zaken.

Aan de ene kant geldt, voordat het product het bedrijf verlaat en de producent er dus de directe controle over verliest, een tolerantie van 'niet aangetoond in 25 gram' voor Listeria monocytogenes — behalve als je tot tevredenheid van de bevoegde autoriteit, in België het Voedselagentschap, kunt aantonen dat je gedurende de houdbaarheid niet boven een tolerantie van 100 kve per gram uitkomt. Het tweede dat daar vermeld wordt is die 100 kve per gram: als je aan die bevoegde autoriteit aangetoond hebt dat je binnen die norm blijft, dan kun je die norm hanteren in dat criterium voor kant-en-klare levensmiddelen.

Nu, hoe toon je die tevredenheid aan? Dat zit in de vraag: dat is die challengetest. Dat is het challengen, het besmetten van je product, en op basis van die besmetting gedurende de houdbaarheidstermijn monitoren wat het gedrag van Listeria monocytogenes is over die hele periode.

Groeit ze uit of niet, enzovoort. Dat is het basisprincipe van een challengetest. Misschien moet ik eerst nog zeggen dat die challengetest omschreven is in een Europese richtsnoer over hoe je dat moet doen, en dat die per lidstaat omgezet moest worden in een omzendbrief.

Er is dus een omzendbrief rond challengetesten die helemaal omschrijft hoe je met die zaken moet omgaan, en die is door het Voedselagentschap gepubliceerd. Daarin staat bijvoorbeeld dat je voorafgaand aan een challengetest gebruik mag maken van wetenschappelijke literatuur of van predictieve modellen om aan te tonen dat er voor jouw product of productgroep bijvoorbeeld geen uitgroei is. Wat is geen uitgroei?

Dat is minder dan een halve log. Gedurende de houdbaarheid mag er dus geen stijging van een halve log zijn. Dat is iets wat je met die wetenschappelijke literatuur of dat predictief model kunt aantonen.

Bestaat er wetenschappelijke literatuur? Dan kun je die gebruiken als onderbouwing. Heb je een predictief model gedaan, en tonen beide — wetenschappelijke literatuur én predictief model — minder dan 0,5 log aan?

Dan omschrijft die omzendbrief dat je maar één lot van je product moet testen. In elk ander geval moet je drie loten testen, gespreid in de tijd. Met andere woorden: gebruikmaken van wetenschappelijke literatuur of een predictief model is wel nuttig. We helpen de klanten daar ook mee waar mogelijk, zodat er, als er maar één lot getest moet worden, ook maar één lot getest wordt.

Maar zodra één van de twee aangeeft dat het meer dan een halve log is, moet je overgaan naar die drie loten. Misschien nog nuttig om te zeggen: je kunt ook meer dan twee log uitgroei hebben. Vanaf dan raden wij aan om je product te herformuleren, want dan heb je de houdbaarheid eigenlijk niet in de hand.

Wat staat er nog in die omzendbrief over een challengetest, voordat je ermee aan de slag gaat? Wat je test moet representatief zijn voor de reguliere productie.

Wat bedoelt men daarmee? Je brengt een product binnen in een labo. Het labo moet volgens de procedure nakijken of dat aangeleverde product representatief is voor je reguliere producties.

En hoe moeten wij dat opvolgen? Op basis van minimaal de fysisch-chemische eigenschappen.

Historische data en challenge-testen

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Bijvoorbeeld pH en aw.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Daar hebben wij dus historische data van het bedrijf voor nodig, om het product dat we binnenkrijgen te kunnen monitoren. Die resultaten moeten binnen een bepaalde range liggen. Is dat zo, dan wordt het aanzien als deel van de reguliere productie.

Heb je die data nog niet — veel bedrijven hebben die niet standaard, bijvoorbeeld bij een nieuw product — dan moet je die eerst opbouwen.

Dat kun je opnieuw doen op basis van bijvoorbeeld drie loten die je gemaakt hebt, en daar vijf deelstalen van nemen. pH, aw of andere fysisch-chemische eigenschappen. Dan heb je die info, en dan weet je ook of het representatief is.

Wat staat er nog in die omzendbrief? Het temperatuurtraject dat je moet volgen, dat is ook omschreven.

Dat zijn richtlijnen die wij als labo verplicht moeten volgen. Wij gaan onze klanten daar dus ook volledig in ondersteunen. Men moet op voorhand een infofiche invullen.

Wij kijken alle data na. Hebben we alles, dan kunnen we starten. Met andere woorden: ook daar ontzorgen we. Maar we moeten zorgen dat het allemaal wettelijk in orde gebeurt. Dat is wel belangrijk, natuurlijk.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Dat zal wel zijn. Daarop doorgaand: zoals verschillende luisteraars wel zullen weten, verandert Verordening (EG) nr. 2073/2005 vanaf 1 juli 2026, wat de aanwezigheid van Listeria monocytogenes betreft. Voor kant-en-klare levensmiddelen die als voedingsbodem kunnen dienen voor de uitgroei van Listeria monocytogenes geldt de norm 'niet aangetoond in 25 gram' — want ik mag niet meer zeggen 'afwezig in 25 gram' — voortaan voor de hele duur van de houdbaarheid.

Kun je die wijziging die op ons afkomt even toelichten, en welke consequenties ze gaat hebben?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Absoluut. Criterium 1.2, dat ik daarnet schetste: voordat het product de controle van de producent verlaten heeft, 'niet aangetoond in 25 gram'. In het andere geval, gedurende de hele houdbaarheid, lager dan 100 kve per gram, mits die tevredenheid. Daar verandert het: dat 'voordat' verdwijnt.

Men stelt het vanaf 1 juli 2026 duidelijker: gedurende de hele termijn van de houdbaarheid is de norm 'niet aangetoond in 25 gram'. Dat is een verduidelijking die ervoor zorgt dat er geen discussie meer is over analyseresultaten tussen het verlaten van de productie en het einde van de houdbaarheid.

Men maakt het nu heel duidelijk: als er een controle gebeurt gedurende de houdbaarheid en je bekomt 'aangetoond in 25 gram', en je hebt geen onderbouwing meer — challengetest of dergelijke — die aantoont dat je die uitgroei niet gaat hebben, dan zit je met een niet-conform product en met een mogelijke recall. Die wijziging heeft dus tot gevolg dat producenten, onze klanten, gaan moeten evalueren: heb ik een onderbouwing of niet? Ik weet wel van mijn product dat er geen uitgroei is en ik heb nooit een positieve gehad, maar ik heb geen onderbouwing — en als er dan toch ooit een positieve komt, dan hangt er wel degelijk een vlag uit.

Het is dus belangrijk dat iedereen die wijziging goed integreert in zijn productiebedrijf en nagaat of er nog acties nodig zijn. Moet men nog een challengetest doen, ja of nee, enzovoort.

Want anders geldt 'niet aangetoond in 25 gram' op elk moment, en als een dag voor het einde van de houdbaarheid een test aangetoond is, dan heb je inderdaad een recall. Het is dus een verduidelijking die makkelijker handhaafbaar wordt, en een belangrijke om als voedingsbedrijf in gedachten te houden.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Ik weet niet wat jouw gevoel is, maar ik merk bij bepaalde bedrijven dat nog niet goed doorgedrongen is wat daar op hen afkomt.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Ik denk dat ik dat kan bevestigen, want we zien nu zeker nog geen piek in challengetesten. Iets wat we op zich wel verwachten.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Ja, dat zou wel moeten, ja.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Nu, wij informeren daar wel over, en zeker bij bezoeken benadrukken we het nog altijd eens. Maar het klopt: ik denk dat die dringendheid nog niet altijd gezien wordt. Men denkt waarschijnlijk: het is nog lang. Maar ik denk dat er nog wel een inhaalmanoeuvre gaat gebeuren.

Te weinig testen, of net te veel?

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Ik denk het ook. Iets waar ik ook veel van mijn klanten nog altijd mee zie worstelen, zijn de vereisten rond drinkwater. Naast het KB van 4 februari 2024 is er de intussen bekende omzendbrief van het Voedselagentschap.

Waar toch wel, laten we eerlijk zijn, veel op gesakkerd wordt vanuit de industrie. Want dat document, die omzendbrief, zou de verduidelijking moeten bieden bij dat KB, maar wordt zo niet gepercipieerd.

En bedrijven — ik werp hier zeker geen persoonlijke steen — krijgen al eens het gevoel: ja, dat komt de labo's wel goed uit, want die maken daar dan misbruik van om extra parameters aan te rekenen, en hoe meer parameters er geanalyseerd worden, hoe groter de factuur. Hoe zit dat nu eigenlijk?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Wij streven er echt naar — ik heb het al een paar keer gezegd — om een partner te zijn van onze klanten.

Eigenlijk hebben wij al sinds het begin van mijn carrière hard gehamerd op: doe wat je moet doen. Wij gaan dus echt als partner samen met de klanten kijken om het wettelijk noodzakelijke correct uit te voeren. Dat is echt de basis.

Daarom zetten wij hard in op informeren, zodat klanten weten wat er wijzigt en zich ook zelf de vraag kunnen stellen: wat is de impact op mij specifiek? We staan ook open voor vragen. Specifiek voor dat KB, die drinkwaterrichtlijn: een paar jaar voor de publicatie van die omzendbrief van het FAVV zijn wij daar al mee aan de slag gegaan en zijn we de wijzigingen beginnen beoordelen. Maar we waren wel afhankelijk van die omzendbrief van het FAVV vooraleer we konden communiceren.

Kort na de publicatie hebben wij een uitgebreide mailing gedaan. Hoe hebben wij dat aangepakt? We hebben eerst algemeen geschetst wat er in het KB wijzigt, zodat bedrijven zien: oké, dit zijn alle wijzigingen.

We hebben daar ook transparant bij vermeld vanaf wanneer welke wijziging in voege treedt. Om een voorbeeld te geven: de som van de PFAS vanaf 12 juli 2024, en er zijn parameters die pas in januari 2026 van toepassing zijn. Dat hebben wij expliciet en transparant benoemd. En we hebben tegelijk vermeld wat er op dat moment in onze analysepakketten zit.

In dat kader proberen wij dus duidelijk te communiceren wanneer wat in voege treedt en hoe wij daarmee omgaan. Belangrijk: om bij het voorbeeld van 12 juli te blijven — op 11 juli 2024 stond ons IT-team klaar om de wijzigingen in die pakketten door te voeren, zodat de aanvragen van die pakketten vanaf 12 juli 2024 die som van PFAS bevatten. Wij hebben dat er dus niet al op voorhand ingestopt.

Wij volgen dat dus op voor onze klanten, ook weer in het kader van ontzorgen, en gaan daar heel transparant mee om. Je hebt natuurlijk ook een stuk extra parameters, zaken die bedrijfsspecifiek zijn. Uit die wetgeving kunnen wij niet voor alle parameters beoordelen of ze voor jou van toepassing zijn of niet.

Die parameters zien wij als extra parameters. Dat betekent dat de verantwoordelijkheid bij de klant ligt om te interpreteren of hij ze nodig heeft of niet. Indien wel, kan hij die heel eenvoudig extra aanvragen.

Dan wordt dat meegenomen in de analyse en de monstername, en krijgt men de juiste analyse. Daar leggen wij de verantwoordelijkheid dus bij de klanten om dat juist te interpreteren. Dat doen we om te vermijden dat we dingen doen die voor het bedrijf niet nodig zijn, en daar zijn we heel transparant over.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Of te weinig natuurlijk.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Hoe bedoel je, te weinig?

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Als ik als bedrijf niet zeg dat mijn water onthard wordt en nog opgeslagen wordt, dan gaan jullie die parameters dus ook niet analyseren.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Voor de extra zaken — dus voor dingen die wij niet op voorhand moeten weten om te bepalen welke pakketten er nodig zijn — kun je dat inderdaad hebben. Maar in die mailing geven wij ook heel duidelijk aan welke vragen ze zich nog moeten stellen. Een checklist.

Eenieder heeft als bedrijf een verantwoordelijkheid, en eenieder kan op die manier door ons gestimuleerd worden om goed na te denken. Wij maken voor drinkwater veel jaarplanningen. Dat betekent dat wij dat eenmalig met die klanten juist opzetten, en dan zijn ze vertrokken.

Dan moeten ze er nooit meer over nadenken. Bij ons is er dus alvast geen bewust misbruik van wijzigingen in de wetgeving. Wij streven naar het correct uitvoeren van de wettelijke zaken en proberen de klanten daarin te ondersteunen en te ontzorgen.

Zodat het op die manier correct verloopt. Dat is een langetermijnvisie, geen kortetermijnwinst. Dat laatste is niet zinvol.

PFAS: de storm die eraan komt

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

De olifant in de kamer is dus benoemd: PFAS. PFAS is als een storm op ons afgekomen, vanuit Zwijndrecht. Ik dacht op dat moment bij mezelf: oei, daar is een probleem.

Mensen die in de buurt wonen mogen de groenten uit hun tuin niet meer eten, of de eitjes van hun eigen kippen. Er zijn nog niet echt normen rond. Het Voedselagentschap springt er uiteraard ook op, want het is een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid.

Worden jullie als labo op zo'n moment geconsulteerd om mee normen te helpen bepalen?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Als het gaat over wettelijke toleranties of richtwaarden, worden we daar inderdaad niet over geconsulteerd. In heel veel gevallen schakelt men daarvoor snel met bijvoorbeeld het wetenschappelijk comité, of zet men er onderzoeksinstituten op.

Wat wel belangrijk is — en daar zie ik echt nog verbetering in — is dat de interactie rond normen die wijzigen of die eraan komen, tussen overheden en laboratoria versterkt wordt. Wij lopen vaak achter: plots is er iets, je wordt niet echt vooraf geïnformeerd, en dan moet het allemaal snel gaan.

Daar zie ik veel verbetermogelijkheden, en dat is ook iets wat ik mezelf als persoonlijke doelstelling stel. Ik wil echt meer met die overheden in gesprek gaan over hoe we dat kunnen opzetten. Ik zie dat als een win voor de overheid, een win voor ons en een win voor de klant. Maar ik besef dat we daar energie in moeten steken, omdat dat nog niet echt bestaat en nu vrij ad hoc verloopt.

Dus nee, wij worden niet geconsulteerd over normen. Maar ik zie wel meerwaarde in nauwer contact met die overheden, zodat we goed kunnen communiceren wanneer er dingen ontstaan. Waar worden wij wél voor geconsulteerd? PFAS is daar een goed voorbeeld van: dan gaat het over analytische methoden. Ook voor PFAS was er nog geen echte officiële analysemethode, of voor bepaalde matrices geen geschikte methode.

Op dat moment gaan overheden wel met ons aan de slag. Er zijn werkgroepen opgericht, gestimuleerd vanuit OVAM aan de ene kant en VITO — de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek — voor de PFAS aan de andere kant. Zij zijn de trekkers om samen met de laboratoria tot een officiële methode te komen, zodat je representativiteit in de markt krijgt, iedereen het op een gelijkwaardige manier doet en je die waarden onderling kunt vergelijken. Dat type werkgroepen is een samenwerkingsvorm die al jaren loopt, die zeer goed werkt en die ik als heel positief ervaar: de laboratoria zijn mee, kunnen zich tijdig voorbereiden en zorgen ervoor dat het kwalitatief hoogstaand is. Het is ook een win voor de klanten.

En er is standaardisatie, internationaal dan. Dat is heel nuttig en belangrijk, en dat wil ik ook even benoemen als iets heel positiefs. Het is ook daarom dat ik denk: hoe meer interactie we als laboratoria met overheden kunnen hebben, hoe beter dat voor iedereen zal zijn.

450 miljoen testresultaten: de waarde van big data

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Vind ik ook. Ja, zeer boeiend allemaal. Misschien nog een laatste vraag, Bart. Jullie zitten als labo, zeker nu je in de Eurofins-groep zit, op een kolossale berg data.

Zoals we van onze goede vrienden in Silicon Valley weten: data is het nieuwe goud. Ik veronderstel dus dat jullie heel goed in staat zijn om met die data in de hand de voedselveiligheid in kaart te brengen, daaruit bepaalde trends te zien en misschien zelfs voorspellingen te doen.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Ja, opnieuw een goede vraag, denk ik. Als je naar de Eurofins-groep kijkt en het gaat over data en de beschikbaarheid van data: wij zitten ondertussen aan zo'n 900 laboratoria in 62 landen en op 6 continenten. Ik heb het moeten opzoeken, want dat wist ik zelf ook niet, maar wij doen meer dan 450 miljoen testen per jaar.

Aan unieke analysemethoden hebben we er 200.000 beschikbaar in eigen portefeuille. Dus ja, als het gaat over een berg data: die is er zeker. Misschien een interessant weetje daaromtrent: wij doen veel analyses, we hebben een grote portfolio aan analysemethoden, en dat wordt allemaal centraal aangestuurd in één IT-systeem.

Dat betekent dat elke site van Eurofins via die database heel eenvoudig kan zien welke analyses waar gebeuren. Heb jij een heel specifieke vraag, dan kunnen we met een paar toetsen bekijken of we dat kunnen aanbieden. Stel dat we het kunnen aanbieden en dat het in Denemarken zit, dan kunnen wij ook meteen zien wat de rapportagetermijnen zijn, of het geaccrediteerd is en welke staalhoeveelheden nodig zijn.

Dat zit dus allemaal centraal, waardoor al die laboratoria heel sterk met elkaar kunnen samenwerken. Nu, ik spreek over Denemarken, en dat is geen toeval. Waarom?

Daar zit bijvoorbeeld ons competence center voor vitamines. Wij werken dus vanuit België met een competence center in Denemarken. Ik zie je nu denken: Denemarken, dat is niet direct naast de deur. Hoe krijg je in godsnaam die stalen daar?

Wel, we hebben daar ook een centrale logistiek voor opgezet. We hebben de zogenoemde line haul, waarbij ons eigen logistiek team alle laboratoria aandoet. Het is een heel circuit, waardoor we stalen snel tot in een ander lab kunnen krijgen. Het is dus heel nuttig om te weten dat we door die centrale database eigenlijk overal ter wereld terechtkunnen met analyses, en dat je die centrale database daarmee ook voedt.

Want anders zou je makkelijk naar je buurman gaan die geen Eurofins is, omdat dat gemakkelijker is. Die berg data is er dus inderdaad. Hoe gaan we daar op dit moment als Eurofins mee om?

Wel, de groep omarmt artificiële intelligentie ontzettend. Wij hebben op groepsniveau een dedicated team dat rond artificiële intelligentie werkt en bekijkt wat we daarmee als meerwaarde kunnen doen om alle processen te verbeteren en de ontzorgingsservice naar de klanten te verhogen. Iets wat we lopende hebben als testproject — en dat zijn echt nog testprojecten — is bijvoorbeeld het herkennen van een product.

Je krijgt het staal binnen, het zit in een zakje, en je laat dat door artificiële intelligentie beoordelen. Vervolgens toets je die beoordeling af aan de informatie die je van de klant gekregen hebt, en check je of er een match is, ja of nee. Dat zijn dingen die nu manueel gebeuren.

Want je hebt het staal binnen, het is een pizza, en je kijkt of je een pizza hebt. Dat proces willen we automatiseren door artificiële intelligentie te combineren met onze data, zodat we minder foutgevoelig worden. Dat kan alleen maar helpen, ook weer richting de klant, om eventuele fouten sneller te detecteren.

Dat is één voorbeeld. Een ander voorbeeld waar we naartoe werken: je hebt wel eens online gekocht, je bestelt iets en dan zijn er van die suggesties. Ik weet niet of jij daarop ingaat, maar goed, je krijgt ze overal, dus op een bepaalde manier zal het wel werken.

Maar het is vooral om het principe aan te duiden: wij willen op basis van de info die we van de klant krijgen en de data die we hebben, ook een suggestie kunnen overbrengen naar ons salesteam, om makkelijk een aanbod te kunnen doen. Of rechtstreeks naar de klant: kijk, dit zijn de courante zaken. Dat is allemaal gebaseerd op artificiële intelligentie en de beschikbaarheid van data, waardoor we ook daar eenvoudig dingen kunnen aanbieden. Dat klinkt allemaal goed, en de evoluties gaan heel snel, dus ik ben er echt van overtuigd dat we veel van die zaken ook vanuit onszelf gaan creëren, want die data is onze eigendom.

Maar goed, als ik echt verder droom — je spreekt over voorspellingen doen — dan denk ik aan de vele mycotoxineanalyses die we uitvoeren. Je hebt de weersomstandigheden die daar een rol in spelen, je hebt de historiek van die weersomstandigheden, je hebt data van die analyses, en je hebt de weersomstandigheden van vandaag. Eigenlijk zou je naar klanten toe met die data moeten kunnen beginnen voorspellen: wat kan de mogelijke impact zijn, welke adviezen geven we, enzovoort. Dat is luidop dromen, maar als het over voorspellingen gaat, denk ik wel dat de evoluties die richting uitgaan.

Belangrijk daarbij, ik zei het net: we zitten in heel veel landen en op heel veel continenten, er is regelgeving, dus die data kan ook niet zomaar gebruikt worden.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Kan de overheid die data zomaar bij jullie opvragen?

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Op dit moment niet, voor zover ik weet. Die data is er misschien wel, maar daar gaan wij heel voorzichtig mee om. Wij willen wetgevend volledig in orde zijn, maar dat is voer voor specialisten.

Maar we mogen dromen. Dat voorbeeld van die mycotoxines is er een waarvan ik denk: de evoluties gaan zo snel dat we dat als partner van onze klanten moeten omarmen, er veel energie en veel cash in moeten steken, om ervoor te zorgen dat we opnieuw een veiligere wereld creëren.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Ik denk dat dat een enorme toegevoegde waarde kan zijn. Een ander voorbeeld zou kunnen zijn dat je al die data samenlegt en ziet in welke regio's ter wereld een bepaalde contaminant het meeste voorkomt. Ik bedoel, als jullie spreken over 450 miljoen resultaten...

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Per jaar.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Per jaar, dan nog. Ik denk dat je daar wel iets uitkrijgt dat statistisch onderbouwd is.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Dat is wel mooi om weten, ja.

Slot

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Goed, Bart, we gaan hier afronden, al denk ik dat we nog een paar uur zouden kunnen doorgaan. Maar we laten het hierbij. Ik wil je bedanken — ik vond het zeer boeiend om eens de inside kitchen van de labowereld te leren kennen. Tot een volgende keer misschien.

Bart Aesaert, Eurofins-Ecca:

Merci, tot de volgende.

Alexander Platteeuw, A+ Quality:

Bedankt, Bart.

Nood aan antwoorden of oplossingen
ivm voedselveiligheid?

Ik ben op zoek naar praktijkgerichte antwoorden op mijn specifieke food safety vraag
Alexander